Top of this page
Skip navigation, go straight to the content
11 - VEILIGHEID, MILIEU EN ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN
REGELING HULPVERLENINGSORGANISATIE BIJ CALAMITEITEN TU/e 2007
Het College van Bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven heeft in haar vergadering van 21 juni 2007 besloten de organisatie van de interne bedrijfshulpverlening bij calamiteiten als volgt te regelen.
Doelstelling
1. Rekening houdend met de beschikbare hulpverlening van overheidswege, voorzieningen te treffen en maatregelen te nemen teneinde de gevolgen van een calamiteit die personen, die zich in gebouwen en/of op de terreinen van de universiteit bevinden, dan wel (on)roerende goederen die door de TU/e worden beheerd, bedreigt of treft, voldoende te beperken.
Organisatie
2. Van een gebouw, dat gebruikt wordt door één faculteit of dienst, is de betreffende faculteitsbeheerder of hoofd van de dienst -beiden worden verder aangeduid als beheerder- tevens gebouwbeheerder. Indien meer faculteiten of diensten één gebouw gebruiken is de beheerder van de faculteit of dienst welke is aangewezen als hoofdgebruiker de gebouwbeheerder.
3. Per gebouw is er een BHV- ploeg, waarvan het aantal bedrijfshulpverleners is afgestemd op enerzijds de grootte van het gebouw en anderzijds op de aard en de omvang van het -in redelijkheid- verwachte risico. De BHV- ploeg bestaat ten minste uit: 1 coördinator BHV, 1 ploegleider en/of 2 bedrijfshulpverleners.
De secretaris van de Universiteit kan op verzoek van de betreffende beheerder ontheffing verlenen van de verplichting tot het instellen van een BHV- ploeg voor bepaalde gebouwen.
4. De beheerder draagt zorg voor de samenstelling, de uitrusting en het functioneren van de BHV- ploeg, rekening houdend met het wettelijk voorgeschreven aantal BHV-ers en het eventueel noodzakelijke aantal ademluchtdragers. Een en ander na overleg met het hoofd BHV en voorzover van toepassing mede na overleg met de commandant TU/e brandweer en/of de bedrijfsarts. Indien meer faculteiten of diensten één gebouw gebruiken geschiedt het voorgaande tevens na overleg met de andere betrokken beheerders.
5. Onder verantwoordelijkheid van de beheerder heeft de coördinator BHV tot taak:
6. Met het oog op de risico's binnen het hem toegewezen beheersgebied draagt iedere beheerder -indien hij zelf geen gebouwbeheerder is, in samenwerking met de gebouwbeheerder, overige in het gebouw aanwezige diensthoofden/directeuren en de coördinator BHV zorg voor de inrichting van de hulpverleningsorganisatie.
Taken en verplichtingen van de Directeur/Diensthoofd
7. De directeur/diensthoofd heeft een aantal taken en verplichtingen. Een groot deel van deze taken en verplichtingen worden, wat betreft uitvoering, via de centrale BHV (DIZ/BHV) geregeld/gecoördineerd;
Taken en verplichtingen van de centrale afdeling BHV (DIZ)
8. De gehele bedrijfshulpverleningsorganisatie voor alle TU/e gebouwen wordt centraal gecoördineerd door de Centrale BHV, vertegenwoordigt door het hoofd BHV, ondersteund door de afdeling brandweer.
De Centrale BHV van de TU/e behoort met alle BHV- Coördinatoren af te stemmen en zoveel mogelijk uniformiteit na te streven bij de uitwerking van de bedrijfshulpverleningsorganisatie. Deze afdeling draagt zorg voor:
Taken en verplichtingen BHV-er
9. BHV- ers hebben, wanneer ze lid worden van de BHV- organisatie een aantal taken en verplichtingen.
Verantwoordelijkheid, bevelvoering, coördinatie
10. De verantwoordelijkheid voor het bereiken van de doelstelling ligt conform het Bestuurs- en Beheersreglement TU/e bij de ge(sub)mandateerde beheerder, onverlet de eigen verantwoordelijkheid van het College van Bestuur, de bedrijfsarts en de brandweer TU/e.
11. "Bevelvoering" is de operationele leiding bij de hulpverlening. In geval van een calamiteit verleent in eerste instantie de BHV- ploeg de eerste hulp onder bevelvoering van de ploegleider. Zodra de brandweer TU/e arriveert, neemt de bevelvoerder brandweer TU/e de bevelvoering over. De functionele leiding over de EH- activiteiten berust bij de ambulancedienst, zodra deze arriveert.
12. "Coördinatie" is het onderling afstemmen van diverse functionele hulpverleningsactiviteiten. Indien naar het oordeel van de beheerder de omvang van een (dreigende) calamiteit dit vereist berust de coördinatie in eerste instantie bij de beheerder.
13. Bij de komst van de overheidshulpverleners (brandweer, G.G.D.) neemt de bevelvoerder daarvan de leiding en coördinatie over.
Opleiding
14. Met inachtneming van het gestelde in de art. 4, 6 en 7 is de beheerder verantwoordelijk voor de opleiding en training van de BHV- ploeg, onder aantekening dat de afdeling DIZ/BHV zorgt voor de opleiding en training van de BHV- ers, BHV- ers met ademlucht, ploegleiders en coördinatoren BHV, voor de oefening onder bijzondere omstandigheden en het uitgeven van de uitrusting;
Voorzieningen in de rechtspositionele sfeer ten behoeve van personeelsleden van de TU/e
Bij het opstellen van deze regeling is er vanuit gegaan dat degenen die meewerken aan de uitvoering van de hulpverleningsorganisatie daartoe door de directeur beheer/beheerder zijn aangewezen.
15. De schade die een personeelslid lijdt aan zijn bezittingen bij de uitvoering van de hulpverlening, in opdracht van de directeur beheer/beheerder, wordt door de TU/e vergoed. De TU/e is namelijk wettelijk aansprakelijk voor de schade welke personeelsleden in het kader van hun TU- werkzaamheden hebben opgelopen, indien de TU/e terzake van het ontstaan van de schade een verwijt treft.
16. In het geval dat een personeelslid ten gevolge van het feit dat hij hulp verleent ziek wordt, bepaalt artikel 6, lid 1 ZANU dat indien de ziekte of arbeidsongeschiktheid, uit hoofde waarvan de betrokkene verlof geniet naar het oordeel van de werkgever, in overwegende mate haar oorzaak vindt in de hem opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, geniet hij ook na het verstrijken van de termijn van 6 maanden zijn volle bezoldiging. De bezoldiging valt in deze gevallen, waarin de ziekte een duidelijke functionele relatie met het werk heeft, na 6 maanden niet terug naar 80%, tenzij de ziekte het gevolg is van eigen schuld of toedoen. Het moet dus gaan om een ziekte voortgevloeid uit werk dat op zich of vanwege bijzondere omstandigheden een groter ongevallenrisico en daarmee dus ziekterisico met zich brengt.
17. In geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid die naar het oordeel van de werkgever, in overwegende mate veroorzaakt wordt door de aard van de betrokken werkzaamheden, dan wel door de omstandigheden waaronder deze moeten worden verricht, en niet door zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, worden hem vergoed de naar het oordeel van de werkgever te zijnen laste blijvende noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling (art 43 ZANU).
18. Wordt een personeelslid die deelnemer is in de zin van het pensioenreglement ontslagen wegens ongeschiktheid op grond van ziekte of gebreken dan bestaat er recht op een invaliditeitspensioen volgens het pensioenreglement. Afhankelijk van de hoogte van de invaliditeitsgraad kan een aanvulling worden verkregen op het inverdiend pensioen. Bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt het invaliditeitspensioen vervangen door het ouderdomspensioen.
19. Alle personeelsleden die zijn aangewezen door het diensthoofd/de directeur om deel uit te maken van een BHV- ploeg ingesteld in het kader van de uitvoering van de regeling hulpverleningsorganisatie bij calamiteiten, ontvangen op onderstaande momenten de vergoedingen;
BHV- jaardeelname gratificatie 1 x p/jr in de maand januari
BHV- Jubileum gratificatie 1 x p/jr in de maand januari
Beëindiging deelname bedrijfshulporganisatie
20. Deelname aan de bedrijfshulporganisatie eindigt door opzegging door de BHV-er of de directeur/diensthoofd. Voor beide partijen geldt een opzegtermijn van 3 maanden. Deelname aan de bedrijfshulporganisatie eindigt met onmiddellijke ingang zodra de BHV/EH- er zijn/haar taken niet meer naar behoren uitoefent.
Voorlichting
21 Indien zich binnen de TU/e een calamiteit voordoet, geschiedt de voorlichting aan de media door het Communicatie Service Centrum en/of Dienst Algemene Zaken/Communicatie.
Slotbepalingen
22. Ten aanzien van de op grond van deze regeling opgestelde instructies, nadere uitvoeringsregelingen en dergelijke wordt periodiek door de opstellers ervan nagegaan in hoeverre deze aanpassing behoeven. Het hoofd BHV ziet erop toe dat deze evaluatie geschiedt.
23. Deze regeling vervangt de Regeling hulpverleningsorganisaties bij calamiteiten TU/e 2005, en kan worden aangehaald als "Regeling hulpverleningsorganisatie bij calamiteiten TU/e 2007".
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Bestuur d.d. 21 juni 2007.
Datum 25 oktober 2007; Nummer CvB 2007/1714
Het College van Bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven
Gelet op: - artikel 11a van de Tabakswet
BESLUIT
I. In te trekken de "niet roken regeling TUE 2004".
II. Vast te stellen de volgende regeling met betrekking tot het roken binnen de gebouwen van de TU/e.
Rookverbod
1. In de gebouwen van de TU/e mag niet worden gerookt.
2. De beheerders van de gebouwen hebben de mogelijkheid om in hun gebouwen eventueel specifiek ingerichte rookruimte(n) aan te wijzen.
3. Voorgaand genoemde rookruimte(n) zullen zodanig zijn ingericht dat buiten deze rookruimte(n) geen hinder of overlast van roken is.
Uitvoering
4. De beheerders van de gebouwen zijn belast met de uitvoering van deze Regeling en het al dan niet aanwijzen van specifiek ingerichte rookruimte(n) in hun gebouwen.
5. De beheerder van een gebouw is verplicht bij alle toegangsdeuren van het gebouw een bord met de tekst "roken verboden" te doen plaatsen. Desgewenst kan hij dergelijke borden ook op andere daarvoor in aanmerking komende plaatsen doen aanbrengen.
Boete
6. In geval van overtreding van dit rookverbod is de overtreder van het rookverbod per overtreding maximaal een direct opeisbare boete van € 100,- verschuldigd aan de TU/e.
7. Daarnaast is ingeval van boetes van daartoe bevoegde instanties de TU/e gerechtigd om alle kosten te verhalen op de specifieke overtreder van het rookverbod.
Slotbepalingen
8. In alle gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, en bij verschil in interpretatie van één of meer bepalingen van deze regeling beslist het College van Bestuur.
9. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2007 en kan worden aangehaald als "niet roken regeling TU/e 2007".
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Bestuur op 25 oktober 2007.
Toelichting op de niet-roken-regeling TU/e
Algemeen
Volgens art. 11a van de Tabakswet zijn werkgevers verplicht zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden.
Op grond daarvan is de niet-roken-regeling TU/e vastgesteld. De beheerder van een gebouw is belast met de uitvoering en handhaving van deze regeling.
De regeling geldt voor iedereen die zich binnen de gebouwen van de TU/e bevindt, dus ook voor studenten, bezoekers, medewerkers van buitenfirma's etc.
Toelichting bij art. 6 van de regeling
Een geconstateerde overtreding van de regeling kan, gezien de aard en de doelstelling ervan, door iedereen worden gemeld bij de beheerder van het gebouw waarin de overtreding plaatsvond.
Alvorens de overtreding te melden, zou de medewerker de overtreder moeten wijzen op het rookverbod en deze vragen om onmiddellijk te stoppen met roken.
Afhankelijk van de reactie van de overtreder kan besloten worden om al dan niet aangifte te doen van de overtreding.
De gebouwenbeheerder dient bij een aangifte te vragen of deze handelwijze gevolgd is. De gebouwenbeheerder meldt de overtreding bij de directeur/het diensthoofd van de overtreder.
Bij een eerste overtreding van het rookverbod krijgt de overtreder een mondelinge waarschuwing van zijn directeur/diensthoofd.
Bij een tweede en volgende overtreding krijgt een overtreder in ieder geval een boete van € 100,- opgelegd. Deze wordt verrekend met het salaris.
Toelichting bij art. 7 van de regeling
Indien de werkgever een boete opgelegd heeft gekregen voor een geconstateerde overtreding, kan de werkgever deze boete verhalen op de overtreder tot een bepaald maximum.
Het maximale bedrag van de totale boete per incident is gelijk aan de tegenwaarde van 16 verlofuren.
Boetes worden ingehouden op het salaris; niet op het verloftegoed. Het opleggen van boetes gebeurt schriftelijk door of namens het College van Bestuur.
Desgevraagd zal aan de beboete overtreder een betalingsbewijs worden verstrekt.