Top of this page
Skip navigation, go straight to the content
9 - REGELING VAKANTIE EN VERLOF TU/e m.i.v. 1 januari 2005
Algemeen
Met inachneming van artikel 4.7 lid 3 CAO NU kan de werkgever in overeenstemming met het lokaal overleg nadere regels vaststellen.
Aan de werknemer wordt, op haar verzoek, vakantie verleend met behoud van bezoldiging voorzover de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten. Er kunnen in een jaar zoveel verlofuren worden opgenomen als het totale verloftegoed en het dienstbelang toestaat. Verlof wordt opgenomen in eenheden van minimaal 1 uur.
De werkgever kan aan de werknemer ongevraagd vakantie verlenen, tenzij dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Verlof-aanspraken
Vanaf 1 januari 2009 hebben alle TU/e-werknemers met een volledig dienstverband, werktijd 38 uur, aanspraak op 232 verlofuren per kalenderjaar.
Verder kan het aantal verlofuren worden beinvloed door de leeftijd en de gekozen werktijd (voor de 'regeling keuze in werktijd': zie het Keuzemodel arbeidsvoorwaarden TU/e).
Keuze in werktijd is mogelijk voor medewerkers die een aanstelling hebben voor 0,5 fte of meer (50% of meer van een volledig dienstverband) en deel mogen nemen aan het Keuzemodel Arbeidsvoorwaarden (KAV) m.u.v. deelnemers aan een Seniorenregeling.
Voor degenen die geen werkduur keuze hebben geldt als berekeningbasis voor het verloftegoed de 38-urige werkweek (2009: 232 uren).
Voor student-assistenten en voor deeltijders die in 1998 gekozen hebben voor salarisverhoging in plaats van extra ADV geldt een berekeningsbasis voor het verloftegoed van 2009: 176 uren.
Leeftijdsuren
Let op! Conform de nieuwe CAO geldt dat als je vóór 1 januari 2013 in dienst was én op 31 december 2012 aanspraak had op leeftijdsuren je deze uren behoudt tot 1 januari 2018. Het aantal leeftijdsuren neemt niet meer toe. Ben je na 1 januari 2013 in dienst gekomen of maakte je op 31 december 2012 geen aanspraak op leeftijdsuren, dan heb je geen recht meer op leeftijdsuren. Onderstaande wordt dus nog aangepast!
Het aantal verlofuren wordt verhoogd bij het bereiken van bepaalde leeftijden, waarbij de leeftijd die in het betreffende kalenderjaar wordt bereikt, bepalend is (zie onderstaande tabel).
(Deze leeftijdsverhoging geldt niet voor deelnemers aan een Seniorenregeling)
Leeftijd | Verhoging bij volledig dienstverband |
18 jaar en jonger | 24 uren |
19 jaar | 16 uren |
20 jaar | 8 uren |
21 t/m 29 jaar | -- |
30 t/m 39 jaar | 8 uren |
40 t/m 44 jaar | 16 uren |
45 t/m 49 jaar | 24 uren |
50 t/m 54 jaar | 32 uren |
55 t/m 59 jaar | 40 uren |
60 jaar en ouder | 48 uren |
Vanaf 1-1-2006 leveren werknemers, geboren vóór 1-1-1950, 16 verlofuren per jaar in op het totaal van bovenvermelde aanspraken i.v.m. verhoging van de eindejaarsuitkering en de instandhouding van FPU-rechten.(CAO-afspraak 2006)
Dit geldt niet voor deelnemers aan de seniorenregeling en voor degenen die geen FPU-aanspraken hebben i.v.m. het niet voldoen aan het ABP overgangsrecht voor FPU, d.w.z. niet voldoen aan de 10-jaren-eis of niet onafgebroken in dienst waren van een ABP-instelling sinds 1-4-1997.
Het aantal verlofuren van degenen die geen volledige betrekking vervullen wordt bepaald in evenredigheid met het aantal uren waarop recht zou bestaan bij een dienstverband met een werktijd van 38 uur (= volledig dienstverband). Bij de (her)berekening van een verloftegoed wordt de uitkomst afgerond op hele uren naar boven.
Indien in de loop van een kalenderjaar wijziging optreedt in het werktijdpercentage van de werknemer, wordt het verloftegoed over het betreffende jaar naar rato herberekend.
Voor de werknemer die in de loop van het kalenderjaar in dienst treedt of ontslagen wordt, worden de verlofrechten vastgesteld naar rato van het aantal maanden dat hij in dienst is.
Voor de werknemer die meer dan een maand geen werkelijke dienst heeft verricht, worden de verlofrechten naar evenredigheid verminderd.
Deze vermindering wordt niet toegepast:
Voor de sluiting rond Kerst en Oud/Nieuw worden 24 verlofuren per jaar gereserveerd. Deze regeling geldt tot 2020.
*Deeltijders leveren voor deze sluiting in: deeltijdpercentage x 24 uren.
*Voor medewerkers met ouderschapsverlof wordt niet gerekend met de omvang van het dienstverband maar met de omvang van de werktijd omdat zij al een andere vorm van verlof genieten.
Voorbeeld: medewerker met een dienstverband van 100% heeft 1 dag ouderschapsverlof in de week en werkt dus 80%. Deze medewerker levert voor de sluiting tussen kerst 80% x 24 uren = 20 uren in.
Inleveren verlof voor brugdagen:
Het in te leveren aantal verlofuren voor een brugdag is een % van de uren die iemand volgens zijn arbeidspatroon op die dag werkt.
Rond Hemelvaart: 100% van de te werken uren op vrijdag inleveren als verlofuren
Rond 30 april en5 mei:
Als er op een brugdag structureel niet wordt gewerkt: 0% inleveren
Het aantal brugdagen staat vermeld in TU/e Arbeidsvoorwaarden art 8.3 Sluiting ...
http://w3.tue.nl/nl/diensten/dpo/arbeidsvoorwaarden/tue_arbeidsvoorwaarden/werktijden/#c4713
Als wegens dringende redenen van dienstbelang de reeds toegestane vakantie ingetrokken wordt, moet de werkgever de eventuele hieruit voortvloeiende financiële schade voor de werknemer vergoeden.
Er mogen maximaal 80 verlofuren worden overgeschreven naar een volgend jaar.
Deeltijders mogen een deel van die 80 uren (naar rato van de omvang van hun dienstverband) overschrijven.
N.B. Deeltijders die een probleem hebben met de opbouw van voldoende uren voor een langduriger verlof met bijv. een partner die meer uren per jaar opbouwt, kunnen de dienstleiding verzoeken om meer uren per jaar te mogen werken om zodoende de benodigde dagen beschikbaar te krijgen. Er kunnen echter nooit meer dan in totaal 80 uren worden "opgebouwd" en doorgeschoven naar een volgend jaar.
Stuwmeren afbouwregeling
Over een in 2004 nog bestaand overschot moet al een afspraak zijn gemaakt tussen medewerker en leidinggevende volgens de bestaande afbouwregeling. De bestemming van die uren is dus geregistreerd (bijv. sparen voor sabbatical; 8 uren/week minder werken e.d.). Deze uren kunnen dus niet meer opnieuw en/of anders bestemd worden. Er kan geen andere afspraak meer over gemaakt worden.
Zie Keuzemodel Arbeidsvoorwaarden
Op 1 januari van elk jaar vervalt automatisch het aantal onbestemde verlofuren van het vorig jaar dat boven de 80 ligt. De 80 uren gelden naar rato van het dienstverband.
Uitgangspunten
Volgens artikel 8.2 van de CAO heeft een werknemer die bij het einde van het dienstverband nog aantoonbare eerder opgebouwde vakantie- of verlofaanspraken heeft, en door werkgever niet in de gelegenheid is gesteld die op te nemen, recht op uitbetaling van die aanspraken.
Uitgangspunt bij de TU/e is dat verlofuren dienen te worden opgenomen voor het einde van het dienstverband en dat werkgever de werknemer daartoe in de gelegenheid stelt.
Een en ander om uitbetaling van verlofaanspraken, en daarmee extra financiele lasten voor werkgever, te voorkomen.
De werknemer die er zelf voor kiest om geen gebruik te maken van een geboden gelegenheid tot opname van verlofaanspraken voor einde dienstverband, kan geen aanspraak maken op uitbetaling van een verloftegoed.
Onvoorzien
Er zijn echter onvoorziene situaties waarin de werknemer geen keuze heeft kunnen maken zoals overlijden en het geraken in een situatie van blijvende volledige arbeidsongeschiktheid.
In die gevallen kunnen de volgende verloftegoeden worden uitbetaald:
Beslissing
De directeur bedrijfsvoering/diensthoofd beslist over het recht op uitbetaling.
Waarde van 1 uur= 2009: 0,704 % van het CAO-maandsalaris bij volledige werktijd (zonder toelagen e.d.) conform art. 5.7 CAO NU (hierin is het vakantiegeld en eindejaarsuitkering begrepen).
Met betrekking tot het ziek worden tijdens vakantie wordt voor wat betreft het vakantietegoed het volgende standpunt ingenomen.
Indien een werknemer aannemelijk maakt dat zij, als geen vakantie was verleend, op de betreffende uren wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest te werken, worden de wegens ziekte tijdens de vakantie niet genoten uren als niet verleend beschouwd. Hiervoor dient het volgende in acht te worden genomen:
Ingevolge artikel 4.9 CAO wordt op feestdagen, zoals Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, Tweede Paasdag, 5 mei, Hemelvaart, Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag en Koninginnedag in beginsel niet gewerkt. Als het belang van de instelling dit onvermijdelijk maakt kan hiervan worden afgeweken. Voor deze feestdagen hoeft er geen verlofuren te worden ingeleverd. Dit houdt in dat werknemers die op basis van de met hen gemaakte afspraken inzake hun werktijden niet of slechts gedeeltelijk zouden werken, de vrije uren niet op een andere dag mogen opnemen.
(NB: het hieronder vermelde verlof wordt in principe toegekend ter gelegenheid van en op, respectievelijk waar het meerdere dagen betreft direct aansluitend op (voor of na), de dag(en) waarop de genoemde gebeurtenissen plaatsvinden.
Als bepaalde gebeurtenissen als hieronder aangegeven plaatsvinden in het weekend, op een feestdag of op een dag dat u structureel niet werkt, dan wordt er geen buitengewoon verlof verleend op een ander tijdstip.
a.Uitoefening van kiesrecht: indien men niet buiten diensttijd kan gaan stemmen (rekening houdende met de openingstijden van de stembureaus en de reistijd van betrokkene, alsmede de mogelijkheid tot het geven van volmacht).
b. Voldoen aan wettelijke verplichtingen: Voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is.
c. Verhuizing: Bij verhuizing anders dan in geval van overplaatsing aan hen die een eigen huishouding hebben: éénmaal per kalenderjaar ten hoogste 2 dagen.
d. Familie-omstandigheden
ondertrouw (indien dit plaatsvindt op een werkdag) | 1 dag |
huwelijk (in overleg op te nemen op en aansluitend, voor en/of na de datum van het huwelijk) | 4 dagen |
huwelijk van bloed of aanverwanten in de 1e en 2e graad (indien dit plaatsvindt op een werkdag) | 1 dag |
indien dit huwelijk buiten woon- of standplaats wordt gesloten (indien en voor zover dit plaatsvindt op een werkdag) | ten hoogste 2 dagen |
overlijden van echtgenote, ouders, stiefouders, schoonouders, kinderen, stief- of aangehuwde kinderen (in overleg op te nemen rond datum overlijden/begrafenis) | 4 dagen |
overlijden van bloed- of aanverwanten in de 2e graad (in overleg op te nemen rond datum overlijden/begrafenis) | 2 dagen |
overlijden van bloed- of aanverwanten in de 3e of 4e graad kan ten hoogste worden verleend (indien de uitvaart plaatsvindt op een werkdag)* | 1 dag |
*maar is de werknemer belast met de regeling van de begrafenis en/of nalatenschap (in overleg op te nemen) | ten hoogste 4 dagen |
bevalling van echtgenote (2 dagen zijn bestemd voor de bevalling en de aangifte van de geboorte). | ten hoogste 4 dagen |
viering 25, 40, 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum (indien de viering plaatsvindt op een werkdag) | 1 dag |
viering 25, 40, 50, en 60-jarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stief- of schoonouders (indien de viering plaatsvindt op een werkdag) | 1 dag |
kerkelijke bevestiging en Eerste Heilige Communie en bij die van zijn echtgenote, kinderen of stiefkinderen (indien dit plaatsvindt op een werkdag ) | 1 dag |
bij het verlijden van de akte van samenleving of geregistreerd partnerschap (indien op een werkdag) | 1 dag |
Hieronder volgt een overzicht van de graden van bloed- en aanverwantschap:
Echtgenoot | Echtgenoot/betrokkene (een van beide is werknemer TU/e) | Betrokkene (werkn. TU/e) |
Aanverwantschap | Bloedverwantschap | |
1e graad | 1e graad | 1e graad |
2e graad | 2e graad | 2e graad |
3e graad | 3e graad | 3e graad |
4e graad | 4e graad | 4e graad |
N.B.: Opgemerkt moet worden dat hetgeen hier wordt voorgeschreven inzake buitengewoon verlof in verband met persoonlijke of familie-omstandigheden voor een werknemer die gehuwd is, eveneens geldt voor een werknemer die een niet-huwelijkse relatie onderhoudt, d.w.z. samenwoont met een levenspartner, ongeacht het geslacht van die persoon, mits de werknemer een kopie van een notarieel verleden samenlevingscontract, een notariële verklaring omtrent het bestaan van een samenlevingscontract of een gemeentelijke akte van partnerregistratie heeft ingediend.
Voor een nadere uitwerking van het begrip niet-huwelijkse relatie zie 10.3.
Het aantal dagen dat op grond van het bovenstaande per jaar maximaal aan een werknemer mag worden verleend bedraagt 30, met dien verstande dat aan leden van besturen per jaar ten hoogste 40 dagen mag worden verleend.
Buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van volledige bezoldiging, kan worden verleend wanneer hij, die tot het verlenen van dat verlof bevoegd is verklaard, oordeelt dat daartoe aanleiding bestaat.
Hierbij kan worden gedacht aan het verlenen van buitengewoon verlof voor activiteiten van een werknemer die een aantoonbaar algemeen maatschappelijk belang dienen, b.v. het leiden van jeugd- en jongerenwerk. Een werknemer dient een dergelijk verzoek om buitengewoon verlof schriftelijk te beargumenteren en met bewijsstukken te onderbouwen.
Behoudens in dringende gevallen moet buitengewoon verlof van korte duur tenminste 24 uren tevoren worden aangevraagd bij degene die bevoegd is tot verlening van dat verlof. Als de werknemer aantoont dat zij geen gelegenheid heeft gehad om vooraf een aanvraag voor zodanig verlof in te dienen en er bestonden voor haar afwezigheid gegronde redenen, dan wordt deze afwezigheid beschouwd als buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging.
Een gegronde reden is slechts aanwezig indien een van de in punt 13 genoemde omstandigheden aanwezig is geweest en in alle andere gevallen, indien de werknemer alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijze de dienst mocht verzuimen.
Aan een werknemer, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een werknemersorganisatie of van een zodanige internationale organisatie, kan uit dien hoofde voor ten hoogste 2 jaren buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging worden verleend.
Gevolg van niet hervatten van het werk (Art. 4.19 CAO)
De werknemer, die na afloop van haar verleend buitengewoon verlof zijn dienst niet tijdig hervat, wordt geacht een verzoek om ontslag te hebben ingediend, tenzij de werknemer binnen redelijke termijn ten genoegen van de werkgever aannemelijk maakt, dat zij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.
Bij buitengewoon verlof van lange duur wordt geen recht op vakantie opgebouwd wanneer de afwezigheid langer duurt dan één maand.
1. De werkgever kan de werknemer op zijn verzoek verlof van langere duur verlenen voor een sabbatical leave.
2. Onder sabbatical leave wordt verstaan een langere verlofperiode, waarbinnen de werknemer algemeen of gericht aandacht besteedt aan de eigen employability.
3. Bij toekenning van sabbatical leave maken de werkgever en werknemer in elk geval afspraken over de wijze van invulling en opname van het verlof, de duur van het verlof, de al dan niet doorbetaling van de bezoldiging, de betaling van de pensioenpremie en het inzetten door de werknemer van gespaarde verlofuren, bedoeld in artikel 5.5, voor een deel van de verlofperiode.
4. Bij het inzetten door de werknemer van gespaard verlof voor sabbatical leave kent de werkgever een premie toe, indien er naar het oordeel van de werkgever ook sprake is van een bedrijfsbelang. Zie ook Keuzemodel arbeidsvoorwaarden: verlof sparen.
Ingevolge artikel 6.9 CAO kan de werkgever de werknemer verplichten tot het volgen van een studie of opleiding, indien die noodzakelijk is voor een goede vervulling van de huidige of een toekomstige functie. De werkgever zal de noodzakelijke faciliteiten aan de werknemer verlenen.
De werknemer heeft recht op scholing en kan de werkgever verzoeken haar faciliteiten te verlenen voor het volgen van een studie of opleiding. Indien dit verzoek betrekking heeft op een studie of opleiding die noodzakelijk is voor een goede vervulling van de huidige of een toekomstige functie, zal de werkgever faciliteiten verlenen. Indien er geen of slechts een geringe relatie bestaat tussen de studie of opleiding en de huidige of een toekomstige functie, kan de werkgever faciliteiten aan de werknemer verlenen.
De faciliteiten kunnen bestaan uit tijd, geld of andere arbeidsvoorwaardelijke elementen.
Bezoek arts
Indien een werknemer het noodzakelijk acht dat zij één of meer uren dient te verzuimen wegens een af te leggen bezoek aan arts, tandarts, specialist, polikliniek en dergelijke, zowel ten behoeve van haarzelf als van haar echtgenoot en kinderen, doet zij daarvan mededeling aan haar chef. De chef beslist of de afwezigheid al dan niet als diensttijd wordt aangemerkt.
De beslissing wordt door de chef mondeling aan het personeelslid medegedeeld.
De werknemer heeft in verband met haar bevalling aanspraak op zwangerschaps-en bevallingsverlof De totale duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof bedraagt 16 weken, waarvan het bevallingsverlof altijd tenminste 10 weken omvat. Dit bevallingsverlof gaat direct in na de bevalling.
De duur van het zwangerschapsverlof kan aan de eigen behoefte worden aangepast (flexibel zwangerschapsverlof). Betrokkene kan dat opnemen vanaf 6 weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling (deze datum moet blijken uit een door een geneeskundige of een verloskundige gegeven verklaring). Het zwangerschapsverlof moet uiterlijk 4 weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum ingaan. Voorzover het zwangerschapsverlof niet is opgenomen voor de bevalling -omdat betrokkene langer wil doorwerken- en het daardoor minder dan 6 weken heeft bedragen kan dat verlof worden opgenomen aansluitend aan het bevallingsverlof.
Vindt de bevalling vroeger plaats dan verwacht, dan wordt het niet genoten zwangerschapsverlof toegevoegd aan de 10 weken bevallingsverlof. In zo'n geval heeft men dan ook altijd aanspraak op een totaal verlof van 16 weken. Als de bevalling later plaatsvindt dan de vermoedelijke datum wordt het zwangerschapsverlof tot de werkelijke datum van de bevalling verlengd. Dit gaat niet ten koste van het minimale bevallingsverlof van 10 weken, en ook niet ten koste van de geplande verlenging daarvan met niet genoten zwangerschapsverlof.
Voorbeeld 1: Heeft men een zwangerschapsverlof van 6 weken gepland met aansluitend aan de bevalling een bevallingsverlof van 10 weken en vindt de bevalling later plaats dan de vermoedelijke datum, dan wordt het zwangerschapsverlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Het bevallingsverlof blijft 10 weken, ook als betrokkene in feite meer dan 6 weken zwangerschapsverlof heeft genoten.
Planning : 6 weken / 10 weken
Werkelijk: 6 weken + 1 week / 10 weken.
Voorbeeld 2: Als de werknemer heeft doorgewerkt tot bijvoorbeeld 4 weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum (langer doorwerken is niet toegestaan), maar de bevalling vindt een week later plaats dan verwacht, dan worden toch de geplande 2 weken zwangerschapsverlof aan het bevallingsverlof toegevoegd.
Planning : 4 weken / 10 weken + 2 weken
Werkelijk: 4 weken + 1 week / 10 weken + 2 weken.
Voorbeeld 3: Zoals al is aangegeven, komt verzuim om medische redenen gedurende de periode van 6 weken voorafgaand aan de vermoedelijke datum van bevalling in mindering op de periode die aan het bevallingsverlof kan worden toegevoegd. Als de werknemer van voorbeeld 2 in de zesde week voor de vermoedelijke datum van bevalling arbeidsongeschikt wordt en dat gedurende 2 weken blijft dan wordt de werkelijke situatie 4 weken + 2 weken / 10 weken.
Wordt de werknemer uit voorbeeld 3 in de zesde week voor de vermoedelijke datum van bevalling voor 50 procent arbeidsongeschikt, dan wordt de werkelijke situatie 4 weken + 1 week / 10 weken + 1 week.
1. De werknemer heeft in verband met de adoptie van een kind recht op verlof met behoud van loon.
2. Het recht op verlof in verband met adoptie bestaat gedurende een tijdvak van achttien weken en bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken. Het recht bestaat vanaf twee weken vóór de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat het recht op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de werknemer die een pleegkind opneemt als bedoeld in de wet Arbeid en Zorg, artikel 5:1, tweede lid, onder d.
Met ingang van 1-1-2009 kan aanspraak worden gemaakt op 26 weken ouderschapsverlof (was voorheen 13 weken). Dit geldt alleen voor ouderschapsverlof dat ingaat op of na 1-1-2009.
Gedurende de eerste 13 weken wordt het salaris gedeeltelijk doorbetaald volgens onderstaande regeling.
Voor de volgende 13 weken kan onbetaald verlof worden opgenomen en geldt het volgende:
Regeling gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof Nederlandse Universiteiten, geldig vanaf 2007
Artikel 1 Familierechtelijke betrekking
1. De werknemer die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, heeft recht op gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof. Indien de werknemer met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen recht op gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof.
2. De werknemer die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft recht op gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof. Indien de werknemer met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging en opvoeding van meer dan een kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen recht op gedeeltelijk doorbetaald ouderschapsverlof. In alle andere gevallen waarin de in de eerste volzin gestelde voorwaarden voor meer dan een kind met ingang van hetzelfde tijdstip worden vervuld, bestaat er slechts recht op één keer verlof.
Artikel 2 Omvang, duur en invulling van het verlof
1. Het aantal uren verlof waarop de werknemer ten hoogste recht heeft bedraagt dertien maal de arbeidsduur per week.
2. Het verlof wordt per week opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden.
3. Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week.
4. In afwijking van het tweede en derde lid kan de werknemer de werkgever verzoeken om:
5. De werkgever kan het verzoek van de werknemer, bedoeld in het vierde lid, uitstellen of in bijzondere gevallen afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.
Artikel 3 Recht op verlof
1. Het recht op verlof bestaat indien het dienstverband tenminste een jaar heeft geduurd.
2. Geen recht op verlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.
3. Wanneer de werknemer zijn arbeid buiten Nederland verricht, heeft hij recht op gedeeltelijk doorbetaald verlof, tenzij een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang dit in de weg staat.
4. De werknemer heeft geen recht op gedeeltelijk doorbetaald verlof voor een kind waarvoor hij reeds bij een andere werkgever ouderschapsverlof heeft opgenomen.
Artikel 4 Aanvraag verlof
1. De werknemer meldt het voornemen verlof te nemen tenminste twee maanden voor het tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan de werkgever onder opgave van:
2. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
3. De werkgever kan, na overleg met de werknemer, de spreiding van de uren over de week op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang wijzigen, tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof.
4. Indien op grond van artikel 2, vierde lid, onderdeel b, het verlof is opgedeeld, zijn het eerste tot en met derde lid van dit artikel op iedere periode van toepassing.
Artikel 5 (Financiële) consequenties
1. De werknemer behoudt over de verlofuren 62,5 % van zijn bezoldiging. (Zie ook de voetnoot)
2. Tijdens het verlof vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats over de uren van het ouderschapsverlof.
3. Een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer wordt naar rato van de feitelijke werkdagen aangepast.
4. Gedurende ziekte of arbeidsongeschiktheid vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats en blijft de betaling over de verlofuren 62,5 % van de bezoldiging.
5. De werknemer die binnen zes maanden na afloop van het gedeeltelijk doorbetaalde verlof het dienstverband opzegt of waarmee het dienstverband wegens aan de werknemer te wijten omstandigheden wordt beëindigd, is verplicht tot terugbetaling van de gedeeltelijk doorbetaalde bezoldiging.
6. De pensioenopbouw gaat tijdens de ouderschapsverlofperiode volledig door, waarbij de reguliere verdeling tussen werkgever en werknemer bij de afdracht van pensioenpremies geldt.
Artikel 6 Intrekking of wijziging
1. De werkgever kan een verzoek van de werknemer om het verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.
2. De werkgever hoeft aan het verzoek niet met ingang van een vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na het verzoek. In het geval dat het verlof met toepassing van het eerste lid na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het overige deel van het verlof.
3. Indien op grond van artikel 2, vierde lid, onderdeel b, het verlof is opgedeeld, zijn het eerste en het tweede lid van dit artikel op iedere periode van toepassing.
Artikel 7 Hardheidsclausule
Voor die gevallen waarin deze regeling niet voorziet of kennelijk onredelijk uitwerkt, kan de werkgever een bijzondere regeling treffen met de werknemer.
Artikel 8 Inwerkingtreding en overgangsregeling
1. Deze regeling maakt onderdeel uit van de CAO Nederlandse Universiteiten en treedt in werking met ingang van 1 januari 2007. Hiermee vervallen per gelijke datum alle lokale universitaire ouderschapsverlofregelingen, behalve voor werknemers zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel.
2. Voor werknemers die gebruik maken van een lokale universitaire ouderschapsverlofregeling, waarbij het feitelijke verlof uiterlijk op 31 december 2006 is ingegaan, blijft op dat gehele verlof de lokale universitaire ouderschapsverlofregeling van toepassing.
N.B. Ouders die gebruik maken van hun wettelijk recht op onbetaald ouderschapsverlof, kunnen fiscaal voordeel krijgen via een extra heffingskorting. Dat wil zeggen dat de Belastingdienst dit bedrag aftrekt van de inkomstenbelasting die betaald moet worden. Het is mogelijk om hiervoor een voorlopige teruggave aan te vragen bij de Belastingdienst. De netto uitkomst is dan ongeveer gelijk aan die van de oude regeling.)
De inhoud van het recht
Recht op ouderschapsverlof heeft de werknemer:
De totale duur van het ouderschapsverlof bedraagt: de arbeidsduur per week gedurende 13 weken
Bij ouderschapsverlof kunnen twee regelingen worden onderscheiden:
1. De standaardregeling:
2. De overlegregeling:
In het kader van de flexibilisering van het ouderschapsverlof is het ook toegestaan om het verlof in een andere deeltijd op te nemen. Tot de mogelijkheden behoort: 100% van de werktijd gedurende drie maanden, 25% van de werktijd gedurende maximaal één jaar.
In overleg met de bevoegde leidinggevende is ook een andere verdeling tussen deze uitersten (3 maanden of een jaar) mogelijk. De maximale opnametermijn is echter een jaar.
Een werknemer is ouder van een kind in de zin van deze regeling indien:
Alsdan dient de werknemer door middel van uittreksels uit het bevolkingsregister aan te tonen dat zij op hetzelfde adres wonen en schriftelijk te verklaren dat hij duurzaam de verzorging en opvoeding van het kind als eigen kind op zich heeft genomen.
Voor ieder kind onder de acht jaar kan slechts éénmaal ouderschapsverlof worden opgenomen, ongeacht de werkgever. Bij geboorte van twee-of meerlingen kan voor elk kind apart aanspraak worden gemaakt op het verlofrecht.
De rechtspositie van de werknemer met ouderschapsverlof
Meldingsprocedure
Een werknemer die van de regeling ouderschapsverlof gebruik wil maken, dient dit schriftelijk, twee maanden voor de beoogde ingangsdatum, aan te vragen bij zijn/haar directeur bedrijfsvoering/beheerder.
In de aanvraag dient te worden opgenomen:
Ouderschapsverlof volgens de standaardregeling kan niet geweigerd worden.
De directeur bedrijfsvoering/beheerder kan, na overleg met de werknemer, op grond van zwaarwegend dienstbelang de overeengekomen spreiding van de verlofuren intrekken. In een dergelijk geval dient er in overleg met de werknemer naar een alternatief te worden gezocht. Intrekken en wijzigen als voornoemd kan tot één maand voor aanvang van het ouderschapsverlof.
Vakantie/verlof tijdens ouderschapsverlof
Bij opname van een verlofdag, wordt van het vakantietegoed afgeboekt het aantal uren dat betrokkene daadwerkelijk op de betreffende dag zou hebben gewerkt.
Art. 4.15 CAO
1. Bij ziekte van de partner, ouders of kinderen (stief-, schoon- of pleegfamilieleden daaronder begrepen), waarvoor thuisverpleging en/of verzorging noodzakelijk is, heeft de werknemer die de verzorging en/of verpleging op zich neemt recht op buitengewoon verlof al dan niet met
behoud van bezoldiging.
*2. Met overeenkomstige toepassing van de Wet arbeid en zorg behoudt de werknemer in elke periode van 12 achtereenvolgende maanden gedurende ten hoogste twee maal de arbeidsduur per week, recht op 70% van het loon, maar tenminste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, en ten hoogste 70% van het maximum dagloon als bedoeld in artikel
9 eerste lid van de Coördinatiewet sociale verzekering.
*Bij de TU/e is afgesproken dat tijdens kortdurend zorgverlof 100% van het loon wordt doorbetaald.
3. Het verlof dat de periode genoemd in lid 2 te boven gaat, wordt toegekend tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
Indien de implementatie van deze regeling tot kennelijk onredelijke situaties leidt, zullen partijen in gezamenlijk overleg streven naar een oplossing hiervoor.