Top of this page
Skip navigation, go straight to the content

3 - LOOPBAANBEGELEIDING, VORMING EN OPLEIDING

3.1 - Beoordeling en functioneringsgesprek

Kenmerk: CvB 2002/2626

Handelingskader functioneringsgesprekken en beoordelingen

Het College van Bestuur hecht een grote waarde aan het jaarlijks houden van functioneringsgesprekken. Het houden van deze gesprekken is geen doel op zich maar een uitgesproken middel voor werknemer en leidinggevende om wederzijds afspraken te maken en periodiek te evalueren. Niet alleen over werk(resultaten) maar ook over de condities waaronder de werkzaamheden worden verricht evenals de verdere ontwikkeling van de werknemer en diens loopbaanverloop.
Functioneringsgesprekken fungeren op die manier niet alleen als managementinstrument (sturing op en evaluatie van de output, verlof en overige afspraken) maar ook als persoonlijk ontwikkel instrument (loopbaanplanning, opleidingen, evaluatie competenties).

De informatie uit de functioneringsgesprekken dient vertaald te worden in de vorm van een samenvatting en conclusies en ontdaan van individuele herkenbaarheid en vormt input voor het functioneringsgesprek van de leidinggevende met diens naasthogere. Zo onstaat, jaarlijks een cyclisch proces in de volgorde van planning, evaluatie en bijsturing.
Een functioneringsgesprek is hiermee geen vrijblijvend iets: werknemer en leidinggevende spreken elkaar wederzijds op zakelijke wijze aan op werkresultaten, werkcondities en ontwikkeling.

a. Functioneringsgesprek

De bedoeling van een functioneringsgesprek is het bevorderen van een zo goed mogelijk functioneren van chef en werknemer: het is een tweerichtingsgesprek.
In dat kader dienen de volgende punten te worden vastgesteld:

deelnemers aan het gesprek: de werknemer en zijn chef: dit wil zeggen de functionaris die direct de leiding heeft over (een deel van) de werkzaamheden van betrokkene. Indien er sprake is van detachering of een daarmee vergelijkbare werksituatie, dan ligt het voor de hand dat zowel de hiërarchische chef als de leidinggevende op de plaats van ‘detachering’ bij het gesprek aanwezig is. De personeelsadviseur is alleen aanwezig als daarom wordt verzocht

inzet gesprek: het is een zakelijk, gestructureerd en vertrouwelijk*) gesprek tussen leidinggevende(n) en de werknemer waarin afspraken worden gemaakt over te behalen resultaten en prestaties van de werknemer en (indien relevant) de activiteiten van de leidinggevende(n) gericht op het vervullen van de doelstelling van de eenheid waarvoor de werknemer activiteiten verricht. Het beoogt de kwaliteit van het functioneren van werknemers beter bespreekbaar te maken. De leidinggevende en de werknemer kunnen wel gezamenlijk constateren wat er of niet gerealiseerd is van de afspraken.

gespreksonderwerpen: functie-inhoud, wijze van functievervulling, eventuele verdere uitgroei of aanpassing van de functie respectievelijke doorgroei van betrokkene naar een andere functie of een ander niveau van functioneren (loopbaan); benodigde of gewenste maatregelen ten behoeve van het functioneren en arbeidsvoorwaardelijke keuzes.

frequentie: tenminste eenmaal per jaar.

*) buiten noodzakelijke informatie benodigd voor uitwerking/realisatie van afspraken.

verslaglegging: het gesprek wordt gevoerd aan de hand van een gespreksinstrument (bv formulier of procedure) waarbij tenminste de volgende onderwerpen worden besproken:

  • evaluatie van de output-afspraken vanhet afgelopen jaar
  • maken van output-afspraken voor komend jaar
  • evaluatie van vaardigheden, kunde, kennis, bedrevenheid
  • belangstelling/loopbaan
  • afspraken over loopbaanplannen en opleiding
  • ADV-afspraken
  • Overige afspraken/opmerkingen

Het gespreksverslag is een zakelijke weergave van het gesprek, . Het verslag (of formulier) wordt door chef en betrokkene ondertekend. In het verslag wordt door chef vastgelegd op welke datum het gesprek plaatsvond en wie aan het gesprek deelnamen.

Bezwaar: als een der partners niet akkoord is met het verslag van het gesprek, wordt een schriftelijke, door betrokkene ondertekende toelichting bij dit verslag gevoegd. Indien er problemen blijven, kunnen de beide direkt betrokkenen ieder hun opvattingen/opmerkingen vastleggen in het verslag.

b. Instrumentarium

Verslaglegging functioneringsgesprek
Voor de verslaglegging van het functioneringsgesprek wordt een formulier gebruikt dat voldoet aan de volgende eisen:
Het geeft tenminste de mogelijkheid tot toelichting op de gespreksonderwerpen die zijn genoemd bij het onderwerp "gespreksonderwerpen" hiervoor. Daarbij wordt het mogelijk gemaakt de informatie uit het verslag op verschillende niveau’s van vertrouwelijkheid te behandelen(bijvoorbeeld door dit op aparte pagina’s aan te geven).

Niveau 1. De informatie uit het gesprek kan alleen doeltreffend en efficiënt navolging verkrijgen indien de leiding van de beheerseenheid de informatie kan gebruiken in overleg met andere beheerseenheden of het College van Bestuur. Dit betreft onder meer loopbaanwensen, opleidingen, dakpanconstructies.

Niveau 2. De informatie uit het gesprek is van belang voor het effectief functioneren van de directe collega’s. Dit betreft taakverdeling en toewijzing van activiteiten op basis van geformuleerde doelstellingen van de afdeling of eenheid of op basis afgesloten Service Level Agreements en afspraken over werktijden, keuzen van arbeidsvoorwaarden en verlof.

Niveau 3. De informatie uit het gesprek is van belang voor de onderbouwing van een beoordeling. Dit betreft de evaluatie van het functioneren van werknemer gedurende de afgelopen periode. Hierbij behoort eveneens het naleven van afspraken op alle genoemde niveaus, die betrekking hebben op het functioneren.

Niveau 4. De informatie is uitsluitend van belang voor de gesprekspartners. Dit betreft afspraken met korte looptijd over opvang of omgang met omstandigheden die naar inschatting van de gesprekpartners van beperkte duur zijn (bv. arbeidsongeschiktheid).

c. Beoordeling

Ten opzichte van het functioneringsgesprek onderscheidt de beoordeling zich door het daaraan verbonden formele karakter en de rechtspositionele waarborgen van de bezwaar- en beroepsmogelijkheid. Juist in situaties waarbij het gaat om het nemen van rechtspositionele beslissingen en in de gevallen waar vanuit de werknemer zelf om een beoordeling wordt verzocht, zijn bedoelde waarborgen van groot belang.

Een beoordeling wordt uitgebracht wanneer

  1. wetgeving en/of de CAO dit vereisen;
  2. de werknemer daartoe verzoekt;
  3. de leidinggevende daartoe het initiatief neemt .

Ter onderbouwing van een beoordeling die als genoemd onder 2 en 3 wordt de verslaglegging(en) van de in de beoordelingsperiode gehouden functioneringsgesprekken gebruikt. De inhoud van een beoordeling bevat geen kwalificaties waarvan beoordeelde niet in een eerder stadium door middel van één of meer (functionerings-)gesprekken op de hoogte is gesteld. Voor het proces van de beoordeling en de verslaglegging ervan maakt de TU/e gebruik van formulieren die behoren bij het beoordelingsvoorschrift burgerlijk rijkspersoneel 1985.

d. Evaluatie

Dit handelingskader wordt na twee jaar door partijen geëvalueerd.

Eindhoven, 11 december 2002

Naar boven

3.2 - Regeling vaststelling beoordeling TU/e 1994

Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:

a. ambtenaar: degene op wie het Rechtspositie Reglement Wetenschappelijk Onderwijs van toepassing is;
b. bevoegd gezag: het College van Bestuur;
c. beoordelingsautoriteit: de door het bevoegd gezag als zodanig aangewezen functionaris;
d. functievervulling: het totaal van prestaties en gedragingen van de ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn functie;
e. functiebestanddeel: samenstel van werkzaamheden dat naar aard en/of gerichtheid een te onderscheiden eenheid in de functie vormt;
f. algemeen gezichtspunt: aspect van het arbeidsgedrag, van belang voor het oordeel over de functievervulling en toepasbaar op een veelheid van functies;
g. beoordeling: oordeel over de functievervulling door de ambtenaar dat volgens de voorschriften van dit besluit tot stand komt;
h. beoordelaar: functionaris die door de beoordelingsautoriteit is aangewezen om de beoordeling op te maken.

Artikel 2

  1. Een beoordeling wordt opgemaakt over een tijdvak dat tenminste 6 maanden en ten hoogste 2 jaar omvat.
  2. Het beoordelingstijdvak strekt zich niet uit over een periode, waarover reeds een beoordeling is opgemaakt.

Artikel 3

  1. Aanwijzing als beoordelaar geschiedt op grond van (mede-)verantwoordelijkheid voor het functioneren van de te beoordelen ambtenaar.
  2. In de regel wordt meer dan één beoordelaar aangewezen. In elk geval wordt als zodanig aangewezen de directe, hiërarchische chef van de betrokken ambtenaar.
  3. Het bevoegd gezag of de beoordelingsautoriteit kan bepalen dat bepaalde functionarissen als informant of adviseur ten behoeve van de beoordelaars optreden.
  4. Op het verzoek van de te beoordelen ambtenaar om bepaalde functionarissen als adviseur of als informant aan te wijzen beslist de beoordelingsautoriteit.

Artikel 4
Het bevoegd gezag stelt het model vast van de lijst, waarop de beoordeling wordt vastgelegd.

Artikel 5

  1. Een beoordeling wordt opgemaakt ten aanzien van functiebestanddelen en/of algemene gezichtspunten.
  2. Het opmaken van de beoordeling geschiedt met inachtneming van de door of vanwege het bevoegd gezag opgedragen werkzaamheden en de daaraan verbonden eisen. Eisen waarvan de ambtenaar buiten zijn schuld geen kennis droeg blijven daarbij buiten beschouwing.
  3. Indien de feitelijk verrichte werkzaamheden afwijken van die welke bedoeld zijn in lid 2, worden die op de beoordelingslijst vermeld.

Artikel 6

  1. De beoordeling wordt zo spoedig mogelijk nadat die is opgemaakt ter kennis van de beoordelingsautoriteit gebracht.
  2. De beoordelingsautoriteit gaat na of hij zich op grond van eigen wetenschap met de beoordeling kan verenigen. Hij kan wijziging in de beoordeling brengen na overleg met de beoordelaar(s).
  3. De beoordelingsautoriteit beslist na overleg met de beoordelaar(s) over de punten waar- op dezen geen overeenstemming hebben bereikt.
  4. De beoordeling wordt zo spoedig mogelijk nadat zij van de beoordelingsautoriteit is terugontvangen door de beoordelaar(s) met de ambtenaar besproken. De beoordelingsautoriteit kan bepalen dat behalve de beoordelaar(s) andere personen aan het gesprek deelnemen.
  5. Een samenvatting van het beoordelingsgesprek wordt op de beoordelingslijst vastgelegd.

Artikel 7

  1. De ambtenaar kan binnen 2 weken na het beoordelingsgesprek schriftelijk bedenkingen tegen de beoordeling indienen bij de beoordelingsautoriteit. De beoordelingsautoriteit kan de genoemde termijn verlengen.
  2. De beoordelingsautoriteit stelt namens het bevoegd gezag de beoordeling vast wanneer de ambtenaar geen bedenkingen heeft ingediend binnen de in het eerste lid bedoelde termijn.
  3. De ambtenaar die bedenkingen heeft ingediend wordt in de gelegenheid gesteld deze mondeling bij de beoordelingsautoriteit toe te lichten. Deze kan bepalen dat andere personen bij dit gesprek aanwezig zijn.
  4. De beoordelingsautoriteit stelt de beoordeling namens het bevoegd gezag vast.
  5. Bij de vaststelling van de beoordeling deelt de beoordelingsautoriteit de ambtenaar schriftelijk mee of hij wijzigingen in de beoordeling heeft aangebracht, en zo ja welke. Daarbij vermeldt hij in voorkomend geval de redenen waarom hij niet, of niet volledig aan de bedenkingen is tegemoetgekomen.

Artikel 8
De ambtenaar die bezwaar heeft tegen de vastgestelde beoordeling kan hiertegen binnen 6 weken na de vaststelling schriftelijk bezwaar indienen bij het bevoegd gezag.

Aldus vastgesteld door het College van Bestuur d.d. 1 november 1994.

TOELICHTING

Algemeen
Deze regeling is bedoeld om het algemene kader aan te geven waarbinnen bij het opmaken en vaststellen van beoordelingen dient te worden gehandeld. Het beperkt zich dan ook tot deze algemene facetten.

Artikel 1
Bij het begrip "functievervulling" (onder d) wordt aangetekend, dat men de prestaties en gedragingen, waarom het hier gaat, uiteraard niet los kan zien van allerlei omstandigheden: men werkt niet in een "vacuüm". Vaak zullen die omstandigheden niet of nauwelijks van invloed zijn op de kwaliteit van het functioneren, maar wanneer dat wel het geval is zal daarvan natuurlijk melding moeten worden gemaakt in aansluiting op het oordeel over het functioneren op zichzelf.
Het begrip "algemeen gezichtspunt" (punt f) komt overeen met hetgeen hieronder werd begrepen in het Beoordelingsvoorschrift burgerlijk rijkspersoneel 1972. Anders dan in laatstgenoemd voorschrift, wordt nu niet nader bepaald welke algemene gezichtspunten dienen te worden gebruikt. Niettemin is het goed zich te realiseren, dat deze gezichtspunten (kennis, zelfstandigheid, uitdrukkingsvaardigheid en contact) waarmee bij het voorschrift van 1972 ervaring is opgedaan, aan hoge eisen voldoen. Zij hebben, zo is gebleken, voor de praktische toepassingen een nagenoeg universele waarde, dat wil zeggen: zij zijn toepasbaar op bijna alle functies in een grote verscheidenheid van organisatiestructuren. Vervolgens wordt nog de eenduidige betekenis per gezichtspunt genoemd, die ertoe bijdraagt dat oordeelsvorming over eenzelfde aspect van het arbeidsgedrag niet bij diverse gezichtspunten - dat zou veelal onterecht zijn - aan de orde komt.

Artikel 2
De bedoeling van (het eerste lid van) dit artikel is aan te geven dat een beoordelingstijdvak een minimum-periode van 6 maanden dient te omvatten en zich maximaal over een periode van 2 jaar kan uitstrekken. Dit vanuit de ervaring dat voor een voldoende afgewogen en reëel oordeel de beoordelingsperiode niet te kort mag zijn, omdat dan een onvolledig beeld van de functievervulling ontstaat waarin toevallige incidenten een te grote rol kunnen spelen, en anderzijds ook niet te lang, omdat dan een vertekening van de beeldvorming kan optreden.
Het is niet de bedoeling van dit artikel (lid) aan te geven dat na elke periode van maximaal 2 jaar een beoordeling opgemaakt dient te worden.

Artikel 3
Het opmaken van een beoordeling door meer dan één beoordelaar zal veelal de zorgvuldigheid, volledigheid en objectiviteit in de oordeelsvorming bevorderen. Met het oog hierop dient in de regel meer dan één beoordelaar te worden aangewezen (lid 2, eerste zin). Tegen de achtergrond van het in het eerste lid aangeduide criterium voor aanwijzing tot beoordelaar, zal het van de organisatievorm van diensten en onderdelen kunnen afhangen, wie naast de directe chef van de betrokken ambtenaar het meest voor aanwijzing in aanmerking komt. Dit kan de z.g. naast-hogere chef zijn, maar in project- of matrixstructuren kan het wenselijk zijn daarvoor in eerste instantie anderen in te schakelen.
Het derde en vierde lid van dit artikel geven de mogelijkheid om informanten en/of adviseurs ten dienste van de beoordelaars aan te wijzen. Onder informant worden diegenen verstaan die inlichtingen van feitelijke aard over de functievervulling kunnen verstrekken. Als zodanig kan ook de te beoordelen ambtenaar optreden. Als adviseur - in een begeleidende rol dus -kan bijvoorbeeld worden aangewezen een functionaris van de personeelsafdeling.
Het zal duidelijk zijn dat het derde lid geen verplichting inhoudt tot het aanwijzen van informanten en/of adviseurs maar overigens, wanneer dit wel wenselijk wordt gevonden, de mogelijkheid geeft om dit door middel van algemene uitvoeringsregelingen te doen en/of daarin van geval tot geval te voorzien.
Een en ander laat echter onverlet dat de te beoordelen ambtenaar zijn wensen dienaangaande naar voren kan brengen. Om hem daartoe in de gelegenheid te stellen is het nodig dat de betrokken ambtenaar er tijdig van op de hoogte wordt gesteld dat een beoordeling zal worden opgemaakt. Dergelijke verzoeken zullen dus op eigen merites moeten worden beoordeeld en daarop zal bijvoorbeeld niet, althans niet in afwijzende zin, kunnen worden beslist op grond van nadere uitvoeringsregels.

Artikel 5

1. Wat de "algemene gezichtspunten" betreft wordt verwezen naar hetgeen in deze toelichting bij dit begrip onder artikel 1 is uiteengezet.
2. en 3. De werkzaamheden die door de ambtenaar worden verricht vloeien voort uit een door, of vanwege, het bevoegd gezag gedane opdracht. Dit wordt beschouwd als de "organieke functie". De inhoud van een functie wordt echter over het algemeen in enigerlei mate, behalve door invloeden en omstandigheden van buiten, mede bepaald door de functievervuller zelf. In dit verband wordt dan gesproken van "feitelijke functie".
De "feitelijke functie" kan dus - behalve gelijk aan - meer of minder zijn dan de oorspronkelijke inhoud van de "organieke functie". Bij het opmaken van een personeelsbeoordeling vindt oordeelsvorming plaats over hetgeen door betrokkene aan feitelijk arbeidsgedrag is getoond, i.c. de "feitelijke functie". Wel dient voor alle duidelijkheid altijd aangegeven te worden in welke opzichten de feitelijke situatie afwijkt van de organieke, onder vermelding van omstandigheden, (beweeg-)redenen e.d. die ertoe geleid hebben.
De combinatie van deze gegevens met de in de lijst vermelde oordelen geeft dan een duidelijk beeld van de werkelijke situatie. Behalve dat voor de oordeelsvorming betreffende de werkresultaten en de wijze waarop deze bereikt zijn, de functie-inhoud een onmisbaar gegeven is, vervullen ook de aan de functievervulling te stellen eisen hierbij een belangrijke rol. Als voorwaarde om de functie-eisen bij het opmaken van de beoordeling ook daadwerkelijk als "meetlat" te kunnen gebruiken geldt, dat de ambtenaar op de hoogte moet zijn van de aan de functievervulling te stellen eisen. Eisen waarvan de ambtenaar buiten zijn schuld geen kennis heeft, zullen bij het opmaken van de beoordeling dan ook buiten beschouwing moeten blijven.

Artikelen 6 tot en met 8
In artikelen 6 t/m 8 is het stramien aangegeven voor de procedure welke dient te worden gevolgd nadat de beoordeling is opgemaakt.

Naar boven

3.3 - Regeling studiefaciliteiten

Regeling studiefaciliteiten TU/e

De regeling is van toepassing op alle werknemers van de TU/e met uitzondering van:

  1. student-assistenten;
  2. promovendi en TOIO's

De Studiefaciliteitenregeling is niet van toepassing op dienstopdrachten tot het volgen van een opleiding.

Algemene voorwaarden

Artikel 1

  1. De werknemer die voor studiefaciliteiten in aanmerking wenst te komen dient het verzoek daartoe in de regel in voor de aanvang van de studie. Hij laat dit verzoek vergezeld gaan van de voor de beoordeling door het bevoegd gezag noodzakelijke gegevens en van een schatting van de te maken studiekosten.
  2. Het bevoegd gezag kan alvorens studiefaciliteiten te verlenen, een studieadvies of in bijzondere gevallen - na overleg met de werknemer - een psychologisch advies inwinnen. Tenzij deze adviezen worden ingewonnen op uitdrukkelijk verzoek van de werknemer, komen de daaraan verbonden kosten voor rekening van de TU/e.
  3. Studiefaciliteiten worden verleend voor een bepaalde termijn, die wordt afgeleid van de normaal te achten duur van de studie. Het bevoegd gezag kan deze termijn verlengen.
  4. Verleende studiefaciliteiten kunnen - al dan niet tijdelijk - worden ingetrokken indien het bevoegd gezag op grond van verkregen inlichtingen van oordeel is, dat de werknemer niet in die mate studeert en/of vorderingen maakt dat hij in staat kan worden geacht de studie binnen de in het derde lid bedoelde termijn te voltooien. De intrekking geschiedt niet indien de werknemer aannemelijk maakt, dat deze omstandigheid niet aan hem zelf te wijten is.
  5. Aan de werknemer, die krachtens een op hem van toepassing zijnde regeling aanspraak heeft op een verhoging van zijn bezoldiging uitsluitend op grond van het voltooien van een studie, worden ter zake van die studie geen studiefaciliteiten verleend.

Studieverlof

Artikel 2

  1. Tenzij het belang van een goede dienstuitoefening zich daartegen verzet, kan aan de werknemer studieverlof worden verleend voor ten hoogste een halve dag per week, met dien verstande dat indien lessen in de normale diensturen moeten worden gevolgd, het verlof tot maximaal één dag per week kan worden verleend.
  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan studieverlof worden verleend op de dag, waarop wordt deelgenomen aan een examen of een tentamen, dat aan het einde van de studie is gelegen dan wel volgt op een duidelijk afgerond geheel van de studie.
  3. Ter voorbereiding op een examen en tentamen als bovenbedoeld kan bovendien studieverlof worden verleend voor ten hoogste vijf halve dagen per jaar.

Tegemoetkoming studiekosten

Artikel 3

  1. Voor volledige tegemoetkoming komen in aanmerking:
    1. indien de studie in een andere plaats dan de woon- of standplaats gevolgd moet worden, de noodzakelijk gemaakte reiskosten voor interlokaal vervoer en het daarmede in samenhang optredende vervoer in de plaats waar de cursus of het examen wordt gehouden, op basis van het laagste tarief van het gebezigde middel van openbaar vervoer, waarvan redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden, voor zover de ambtenaar voor deze kosten niet uit anderen hoofde een vergoeding geniet; kan van openbaar vervoer redelijkerwijs geen gebruik gemaakt worden dan worden de noodzakelijk gemaakte kosten vergoed tegen het tarief, genoemd in paragraaf 7, 2e lid, van de Reisbeschikking Nederland;
    2. de werkelijk gemaakte kosten, welke in verband met het afleggen van een examen noodzakelijkerwijze worden gemaakt voor nachtverblijf en het gebruik van maaltijden
    3. Voor een tegemoetkoming tot maximaal 50% komen in aanmerking de noodzakelijk gemaakte cursus- en lesgelden, de examen- en diplomakosten, alsmede aanschaffingskosten van het verplicht gestelde studiemateriaal.
  2. In bijzondere gevallen kan het in het vorige lid genoemde percentage op 75 worden gesteld.
  3. Een tegemoetkoming in studiekosten wordt eerst verleend nadat de werknemer schriftelijk heeft verklaard dat hij bekend is met de verplichting tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling als bedoeld in artikel 4.

Terugbetaling tegemoetkoming studiekosten

Artikel 4

  • De werknemer is verplicht tot terugbetaling van de aan hem verleende tegemoetkoming in de studiekosten ingeval:

a.  hem ontslag wordt verleend voordat de studie met goed gevolg is afgesloten;
b. de studie niet met goed gevolg is afgesloten op grond van omstandigheden die naar het oordeel van het bevoegd gezag aan de werknemer te wijten zijn;
c. hem ontslag wordt verleend binnen een termijn van drie jaar sedert de datum, waarop de studie met goed gevolg is afgesloten.

  • De in het vorige lid bedoelde verplichting tot terugbetaling wordt beperkt;

 a. in gevallen, bedoeld in het eerste lid onder a en b, tot het bedrag, dat de werknemer is uitbetaald in het tijdvak van drie jaren, voorafgaande aan de datum, waarop de desbetreffende omstandigheid zich heeft voorgedaan;
b. in het geval, vermeld in het eerste lid, onder c, voor elke maand welke ontbreekt aan de daarin genoemde termijn, tot 1/36 gedeelte van het bedrag dat de werknemer is uitbetaald in het tijdvak van drie jaren voorafgaande aan de datum waarop de studie is afgesloten.

  • De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet ingeval:

a. het ontslag geschiedt met recht op een werkloosheidsuitkering of direct ingaand pensioen;
b. het ontslag aansluitend wordt gevolgd door een nieuw dienstverband met een onderwijsinstelling, waarvan de kosten uit openbare kas worden voldaan.

Slotbepalingen

Artikel 5
In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in de vorige artikelen.

Artikel 6
De regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1978 en kan worden aangehaald als Regeling Studiefaciliteiten TU/e.

Naar boven

3.4 - Dienstopdracht tot het volgen van opleidingen

Indien een werknemer een opleiding, cursus of studie volgt welke is gericht op de noodzakelijke vergroting c.q. aanvulling van kennis, inzicht en vaardigheden, nodig voor een goede vervulling van zijn huidige functie of van de functie waarvan kan worden aangenomen c.q. vaststaat, dat hij deze binnen redelijke tijd gaat vervullen, kan gesproken worden van een dienstopdracht tot het volgen van een opleiding. Vergoeding van kosten geschiedt voor 100%.
De werknemer kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke (terug-)betaling van de kosten van de opleiding indien hij was aangesteld om na afloop van een opleiding voor een functie, daarin te worden tewerkgesteld en hem overeenkomstig zijn verzoek of anders dan eervol, ontslag wordt verleend in het opleidingstijdvak dan wel binnen een van te voren aangegeven tijdvak na de opleiding.
De (terug)betalingsregeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van:

  • een werknemer in tijdelijke dienst, wiens aanstelling voor een bepaalde tijd overeenkomstig zijn verzoek niet wordt verlengd of overeenkomstig zijn verzoek niet wordt gewijzigd in een aanstelling in vaste dienst;
  • een werknemer aan wie overeenkomstig zijn verzoek of anders dan eervol ontslag wordt verleend binnen het opleidingstijdvak of een aangegeven tijdvak na afloop van de opleiding en die een nadere opleiding zal krijgen met het oog op een goede vervulling van de door hem beklede functie dan wel zal worden opgeleid voor een andere functie dan die welke hij bekleedt.
    Bij de inhoud van de terugbetalingsregeling kan aansluiting worden gezocht bij die welke geldt bij de Regeling studiefaciliteiten.

Naar boven