Top of this page
Skip navigation, go straight to the content
6 - BEZOLDIGING IN GEVAL VAN ZIEKTE
1. Bezoldiging tijdens het dienstverband (artikel 4, ZANU)
De werknemer die geheel of gedeeltelijk wegens ziekte verlof geniet, behoudt gedurende een termijn van 9 maanden zijn volle bezoldiging en daarna 76% van zijn bezoldiging tot het einde van zijn dienstverband, waarbij het (pro rata) minimumloon als bodem geldt.
2. Geen aanspraak op bezoldiging tijdens ziekte (artikel 14 ZANU)
Geen aanspraak op betaling van bezoldiging als bedoeld onder 1 bestaat:
a. indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven voorgesteld, dat verhindering tot dienstverrichting niet kan worden aangenomen;
b. indien de werknemer de verhindering tot dienstverrichting opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij haar daarvan op grond van haar psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;
c. indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de geneeskundige keuring die ter zake van haar benoeming heeft plaatsgevonden en alsdan blijkt dat de werknemer hierbij kennelijk opzettelijk onjuiste informatie omtrent haar gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, tengevolge waarvan zij toen ten onrechte geschikt is verklaard.
Een werknemer kan aan een onderzoek vanwege de bedrijfsgeneeskundige dienst worden onderworpen ter beantwoording van de vraag of zich een omstandigheid voordoet als hierboven bedoeld (artikel 17 ZANU).
3. Vervallen van aanspraak op bezoldiging tijdens ziekte(artikel 15 ZANU)
De aanspraak op betaling van de bezoldiging kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard zolang de werknemer:
a. weigert zich te onderwerpen aan een krachtens dit besluit opgedragen geneeskundig onderzoek, dan wel, na voor zulk een onderzoek behoorlijk te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
b. weigert of verzuimt tijdig een WAO- of WIA uitkering bij het UWV aan te vragen, dan wel een verzoek tot verlenging van die uitkering bij het UWV in te dienen;
c. weigert de volledige medewerking te verlenen aan een geneeskundig onderzoek ter beoordeling van zijn recht op een WAO- of WIA uitkering;
d. de controlevoorschriften overtreedt, indien deze voor haar zijn vastgesteld;
e. het land verlaat zonder een geneeskundige verklaring van geen bezwaar;
f. ten onrechte verzuimt zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de haar door de bedrijfsgezondheidsdienst of het UWV gegeven voorschriften, of anderszins zich zodanig gedraagt, dat haar genezing wordt belemmerd of vertraagd, met dien verstande, dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige of diagnostische aard zijn uitgezonderd;
g. tijdens de verhindering om haar dienst te verrichten, voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit blijkens een geneeskundige verklaring door de bedrijfsgezondheidsdienst of het UWV, in het belang van haar genezing, reïntegratie of herplaatsbaarheid gewenst wordt geacht;
h. in gebreke blijft op het door de bedrijfsgezondheidsdienst of het UWV bepaalde tijdstip en in de door hen bepaalde mate haar arbeid of haar passende arbeid, dan wel, na afloop van een periode van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid, gangbare arbeid te verrichten, tenzij zij daarvoor een inmiddels ontstane, door de bedrijfsgezondheidsdienst of het UWV als geldig erkende reden heeft opgegeven.
De werknemer kan aan een onderzoek vanwege de bedrijfsgeneeskundige dienst worden onderworpen ter beantwoording van de vraag of zich een omstandigheid voordoet als hierboven onder f bedoeld (zie artikel 17 ZANU).
4. Toestemming bedrijfsgeneeskundige dienst bij hervatting dienst (artikel 8 ZANU)
Is een werknemer meer dan een jaar volledig verhinderd geweest tot dienstverrichting, dan mag zij haar dienst slechts hervatten, indien de bedrijfsgeneeskundige dienst -onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden - daarvoor toestemming verleent. Dit kan ook worden bepaald ten aanzien van een werknemer die minder dan een jaar wegens ziekte verhinderd is haar dienst te verrichten.
5. Verhindering wegens ziekte na dienstongeval (artikel 6 ZANU)
Indien de ziekte, waardoor de werknemer verhinderd is haar werkzaamheden te verrichten, in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de haar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, heeft zij zolang het dienstverband duurt aanspraak op (door)betaling van haar volledige bezoldiging ofwel 100% ziekengeld.
Er is dan geen terugval naar 80%, tenzij een en ander aan eigen schuld of onvoorzichtigheid zou zijn te wijten.
6. Verhaal van (loon-)schade op derden
Op grond van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA), kan ingeval een aan een ambtenaar overkomen ongeval veroorzaakt door een ander, de brutobezoldiging door de TU/e worden verhaald op degene die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de geleden schade.
Loonschadeverhaal loopt via Loyalis.
7. Procedure bij arbeidsongeschiktheid bij ziekte
Vanaf 1 januari 1996 heeft het overheids- en onderwijspersoneel te maken met een nieuwe uitvoeringsorganisatie voor de sociale zekerheid: de Uitvoeringsinstelling WerknemersVerzekeringen (UWV).
UWV voert zowel de wettelijke als de bovenwettelijke regelingen uit voor alle werknemers bij de overheid en het onderwijs.
De uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregeling staat of valt met een goed ziekteregistratiesysteem.
Gelet op de mogelijk grote financiële consequenties voor zowel werkgever als werknemer worden de verantwoordelijken bij de beheerseenheden dan ook met nadruk verzocht om zeer zorgvuldig met ziekte- en hersteldmeldingen om te gaan.
1. Algemeen
De afloop of beëindiging van het dienstverband betekent niet dat het "ziekengeld" ophoudt of dat geen aanspraak meer op "ziekengeld" kan ontstaan.
2. Aanspraak op bezoldiging na ontslag (niet zijnde ontslag wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid) (artikelen 39 en 40 ZANU)
De gewezen werknemer, die wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, ontstaan voor het tijdstip waarop hem ontslag is verleend, niet zijnde een ontslag op grond van ziekte of arbeidsongeschiktheid, dan wel waarop zijn benoeming in tijdelijke dienst is afgelopen, nadien nog ongeschikt is hem passende, dan wel, na een periode van 52 (vanaf 1-1-2004: 104 weken) weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid, gangbare arbeid te verrichten, een en ander voorzover hij niet als herplaatsbaar verklaarde is herplaatst in een dienstverband, behoudt gedurende zijn ongeschiktheid zijn laatstgenoten bezoldiging. Dit geldt slechts voorzover de termijn van 18 kalendermaanden nog niet is verstreken, doch uiterlijk tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin de gewezen betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
Na 52 (resp. 104) weken kan aan de ex-werknemer een WAO uitkering worden toegekend door de UWV. De TU/e is verplicht deze uitkering aan te vullen tot 100% van de laatstgenoten bezoldiging tot en met de 18e maand.
Bij ongewijzigde arbeidsongeschiktheid kan de ex-werknemer uitsluitend nog aanspraak maken op een WAO-conforme uitkering, die door de UWV wordt toegekend.
3. Aanspraak op bezoldiging binnen 4 weken na beeindiging van de dienstbetrekking
Degene die binnen 4 weken na het tijdstip waarop zij is ontslagen dan wel waarop haar tijdelijk dienstverband is geëindigd wegens ziekte ongeschikt wordt haar passende arbeid te verrichten, ontvangt haar laatstgenoten bezoldiging, mits zij gedurende tenminste 8 weken onmiddellijk aan dat tijdstip voorafgaand in dienst is geweest. De laatstgenoten bezoldiging wordt uitbetaald zolang de ongeschiktheid duurt doch uiterlijk tot en met 52 weken na de aanvang daarvan (en tot uiterlijk de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt).
Het verzoek om aanspraken als bedoeld in 2. en 3. dienen binnen 7 dagen na het ontstaan van de ziekte en de arbeidsongeschiktheid te worden gedaan (artikel 40 ZANU).
Het College van Bestuur heeft het recht de gewezen werknemer aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen tot het verkrijgen van iedere mogelijke uitkering ingevolge arbeidsongeschiktheid, ter vervanging van de voornoemde bezoldigingsaanspraken (artikel 40 lid 4 ZANU/artikel 15 ZANU).
1. Zwangerschaps- en bevallingsverlof (artikel 9 ZANU)
De vrouwelijke werknemer heeft in verband met haar bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof ingevolde de Wet Arbeid en Zorg, art. 3 .
Zij doet tenminste 10 weken voor de dag waarop de bevalling is te verwachten aan de directeur bedrijfsvoering/diensthoofd mededeling van de datum van ingang van het zwangerschapsverlof onder overlegging van een verklaring van de behandelende arts of verloskundige.
Bij zwangerschap heeft de vrouwelijke werknemer recht op zwangerschapsverlof vanaf 6 weken vóór de vermoedelijke bevallingsdatum. Het is mogelijk het verlof later te laten ingaan, maar het moet uiterlijk 4 weken vóór de vermoedelijke ("uitgerekende") bevallingsdatum ingaan.
Het bevallingsverlof bedraagt 10 weken, gerekend vanaf de dag na de bevalling. Dit verlof wordt verlengd met ten hoogste 6 weken voorzover de vrouwelijk werknemer langer heeft doorgewerkt; dus wanneer het zwangerschapsverlof voorafgaand aan de datum van de bevalling, om andere redenen dan wegens ziekte, minder dan 6 weken heeft bedragen.
Vindt de bevalling vroeger plaats dan de vermoedelijke datum, dan wordt het niet genoten zwangerschapsverlof toegevoegd aan de 10 weken bevallingsverlof. Ook in zo'n geval heeft men dus recht op een totaal verlof van 16 weken. Als de bevalling later plaatsvindt dan de uitgerekende datum, loopt het zwangerschapsverlof iets langer door en gaat het bevallingsverlof gewoon de dag na de bevalling in. In zo'n geval heeft men dus een langer totaal verlof dan 16 weken.
2. Aanspraken na einde dienstverband
In artikel 39 lid 7 ZANU is vastgelegd dat de vrouwelijke werknemer die zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet op datum einde dienstverband aanspraak kan maken op loondoorbetaling tot 100% voor de (resterende) duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.
Blijft zij nadien nog wegens ziekte arbeidsongeschikt of wordt zij dat binnen 4 weken, dan maakt zij aanspraak op uitbetaling van bezoldiging na ontslag tot uiterlijk 1 jaar na de datum van de bevalling.