Top of this page
Skip navigation, go straight to the content

16 - ANDERE PERSONELE AANGELEGENHEDEN

16.1 - Reorganisaties

In de CAO Nederlandse Universiteiten is in hoofdstuk 9 het een en ander geregeld met betrekking tot reorganisaties.

1. Definitie van reorganisatie
Onder reorganisatie bij een universiteit of een onderdeel daarvan wordt verstaan een verandering in de organisatie, zoals bedoeld in artikel 25 eerste lid, onderdeel a tot en met f, van de Wet op de ondernemingsraden, die betrekking heeft op de universiteit, of op een belangrijk onderdeel daarvan, met directe en ingrijpende rechtspositionele gevolgen voor werknemers.

2. Overleg met lokaal overleg

1. Het Lokaal Overleg en het bevoegde medezeggenschapsorgaan worden tijdig schriftelijk in kennis gesteld van een voorgenomen reorganisatie.

Het voornemen tot reorganisatie omvat, voorzover mogelijk, informatie met betrekking tot de volgende onderwerpen, doch in ieder geval informatie betreffende de onderwerpen genoemd onder a, b, f en g:

a. de aanleiding tot de reorganisatie;
b. het doel van de reorganisatie;
c. de aard en omvang van de reorganisatie;
d. de financiële en/of formatieve randvoorwaarden;
e. de uitgangspunten en randvoorwaarden met betrekking tot de consequenties voor het personeel;
f. de procedure die zal worden gevolgd bij de voorbereiding en uitvoering van de reorganisatie, inclusief een globale planning in de tijd;
g. de verwachte rechtspositionele gevolgen in algemene zin.

Het Lokaal Overleg wordt in de gelegenheid gesteld ten minste één keer de wijze waarop wordt omgegaan met de ingrijpende rechtspositionele gevolgen voor de betrokken werknemers, te bespreken met de werkgever.

3. Sociaal plan (zie ook Sociaal Statuut TU/e 2008)

1. Indien er sprake is van ingrijpende rechtspositionele gevolgen voor werknemers wordt het Kader voor Sociaal Beleid, zoals opgenomen in paragraaf 2 van hoofdstuk 9 CAO, toegepast en wordt met het Lokaal Overleg overeengekomen of in aanvulling hierop een Sociaal Plan wordt opgesteld.

2. Onder ingrijpende rechtspositionele gevolgen voor werknemers wordt onder meer verstaan ontslag(dreiging), een belangrijke wijziging in de functie of overplaatsing naar een ander organisatieonderdeel.

4. Reorganisatieplan en personeelsplan

1. De werkgever stelt, in aansluiting op en met inachtneming van het reorganisatievoornemen, een Reorganisatieplan en een Personeelsplan op.

2. Het Reorganisatieplan beschrijft nauwkeurig de beoogde verandering van de organisatie. Het Reorganisatieplan vermeldt in ieder geval:

a. doel en taak van de nieuwe organisatie-eenheid en haar onderdelen;
b. de kwantitatieve bezetting;
c. de kwalitatieve bezetting.

3. Het Personeelsplan beschrijft, op basis van het Reorganisatieplan, de te verwachten rechtspositionele gevolgen voor de individuele werknemer. Het plan vermeldt in ieder geval:

a. van welke werknemers de organisatorische positie wijzigt en op welke wijze;
b. welke werknemers met ontslag bedreigd zijn;
c. voor welke werknemers anderszins de rechtspositie direct en ingrijpend wijzigt;
d. op welke wijze met inachtneming van het Kader voor Sociaal Beleid, en indien aanwezig het Sociaal Plan, met de te verwachten rechtspositionele gevolgen wordt omgegaan.

4. Het Personeelsplan komt na, of gelijktijdig met, het Reorganisatieplan tot stand.


5. Vaststelling reorganisatieplan en personeelsplan

Over het Reorganisatieplan wordt door de werkgever niet beslist dan nadat het bevoegde medezeggenschapsorgaan in de gelegenheid is gesteld over het plan advies uit te brengen en geïnformeerd is over het voornemen van de werkgever om al dan niet uitbreiding te geven aan het Kader voor Sociaal Beleid.

Over het Personeelsplan wordt door de werkgever niet beslist dan nadat elke in het plan genoemde werknemer in de gelegenheid is gesteld op het ten aanzien van hem in het plan vermelde een reactie kenbaar te maken.

6. Uitgangspunten bij een reorganisatie

1. Bij een reorganisatie zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

a. de werkgever streeft ernaar om gedwongen ontslagen zoveel mogelijk te voorkomen;
b. de werkgever zal de met ontslag bedreigde werknemer zo goed mogelijk ondersteunen bij het verwerven van een passende functie binnen of buiten de universiteit.

2. Bij iedere reorganisatie geldt het kader voor sociaal beleid bij reorganisaties uit deze CAO. De werkgever kan met het Lokaal Overleg aanvullend op de artikelen 9.8 tot en met 9.14 een eigen kader voor sociaal beleid vaststellen.

5. Toetsingscommissie

1. In het kader van het beleid gericht op het voorkomen van gedwongen werkloosheid is er voor de openbare universiteiten op bedrijfstakniveau een toetsingscommissie.

2. Deze commissie heeft tot taak de toetsing van de in het kader van een reorganisatie bij een openbare universiteit afgesproken inspanningen van werkgever en werknemer, in geval er sprake is van een voornemen tot gedwongen ontslag.

3. Voor de werknemer in dienst bij een openbare universiteit geldt dat indien mocht blijken dat ondanks alle inspanningen gedwongen ontslag onvermijdelijk is, dat het dienstverband niet zal worden beëindigd alvorens de toetsingscommissie op bedrijfstakniveau uitspraak heeft gedaan over de door de werkgever en de werknemer geleverde inspanningen in het kader van het afgesproken sociaal plan.

4. Een voornemen om gedwongen ontslag te verlenen wordt op een zodanig tijdstip aan de commissie gemeld dat zij vier weken de gelegenheid heeft om tot een uitspraak te komen. Bij gebreke aan een uitspraak binnen deze periode wordt de commissie geacht in te stemmen met de effectuering van het ontslag.

5. Van de termijn genoemd in het vierde lid kan gemotiveerd door de commissie worden afgeweken.

6. Uitspraken bij meerderheid van de toetsingscommissie zijn bindend.

7. De werknemer aan wie ontslag wordt verleend na de uitspraak van de toetsingscommissie behoudt het recht bezwaar te maken tegen dit ontslagbesluit.

8. De commissie bestaat uit twee leden benoemd door de werknemersorganisaties en twee leden benoemd door de werkgevers.

9. De commissie legt haar werkwijze in een eigen reglement vast.

Naar boven

16.3 - Regeling melding onregelmatigheden (Klokkenluidersregeling)

Het College van Bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven vindt het wenselijk dat in het kader van corporate governance, de universiteit beschikt over een zogenaamde klokkenluidersregeling, ofwel een regeling inzake de melding van onregelmatigheden.

 
Deze regeling kent een brede opzet, dat wil zeggen een ieder die zich op de universiteit bevindt moet zich vrij voelen misstanden te melden. Verder wordt omschreven aan welke onregelmatigheden dient te worden gedacht en bij wie de meldingen dienen plaats te vinden. Voor toetsing van melding is een Commissie Integriteit ingesteld.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definities

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de universiteit: de Technische Universiteit Eindhoven;

b. de Commissie: de commissie, bedoeld in artikel 3.1;

c. een vermoeden van een onregelmatigheid: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de universiteit of een onderdeel daarvan omtrent:

- een ernstig strafbaar feit;

- een grove schending van regelgeving;

- het misleiden van de door de universiteit aangewezen accountant;

- een groot gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu, of

- het bewust achterhouden van informatie over hiervoor genoemde feiten;

d. leidinggevende: de leidinggevende van de faculteit of dienst waarbinnen de onregelmatigheid wordt vermoed. Voor studenten geldt dat zij in het kader van deze regeling de Opleidingsdirecteur als leidinggevende kunnen beschouwen.

2. Onder een vermoeden van een onregelmatigheid wordt niet begrepen een vermoeden van inbreuk op de wetenschappelijke integriteit, individuele aangelegenheden op het gebied van arbeid en individuele aangelegenheden op het gebied van studie .

3. Onder melder wordt verstaan:

a. De werknemer van TU/e of een student aan TU/e

b. een andere persoon die binnen de universiteit werkzaam is, zoals een gastdocent, stagiair of uitzendkracht;

c. een student die is ingeschreven aan een niet in het Centraal Register Opleiding Hoger Onderwijs vermelde opleiding van de universiteit.

Hoofdstuk 2. Interne procedure

Artikel 2.1. Interne melding aan leidinggevende

1. De melder die een vermoeden heeft van een onregelmatigheid, meldt dit vermoeden schriftelijk en met redelijke gronden omkleed bij de desbetreffende leidinggevende.

2. De leidinggevende zendt de melder die een vermoeden van een onregelmatigheid kenbaar heeft gemaakt, een ontvangstbevestiging, waarin de vermoedde onregelmatigheid en datum van ontvangst is opgenomen.

3. De in het eerste lid bedoelde leidinggevende draagt er zorg voor dat het College van Bestuur onverwijld op de hoogte wordt gesteld van een gemeld vermoeden van onregelmatigheid en van de datum waarop de melding is ontvangen.

4. Naar aanleiding van de melding van een vermoeden van onregelmatigheid stelt de leidinggevende onverwijld een onderzoek in.

5. In afwijking van het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit artikel, kan de melder een vermoeden van onregelmatigheid rechtstreeks bij de Commissie melden indien zwaarwegende belangen toepassing van die onderdelen in de weg staan.

6. Indien de melding betrekking heeft op een vermoeden van onregelmatigheid, gepleegd door het College van Bestuur dan wel door één of meer van zijn leden, vindt de melding plaats bij de Raad van Toezicht. In dat geval zijn van deze regeling uitsluitend de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van dit artikel alsmede artikel 2.2, tweede lid, van toepassing of van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.2. Een standpunt

1. Binnen een periode van acht weken vanaf het moment van de interne melding wordt de melder door of namens de leidinggevende schriftelijk op de hoogte gebracht van een inhoudelijk standpunt omtrent het gemeld vermoeden van  onregelmatigheid.

2. Indien het standpunt niet binnen acht weken kan worden gegeven, wordt de melder door of namens de leidinggevende hiervan in kennis gesteld en geïnformeerd over de termijn waarbinnen deze een standpunt tegemoet kan zien.

3. De melder kan het vermoeden van een onregelmatigheid melden bij de Commissie, indien:

a. hij of zij het niet eens is met het standpunt;

b. hij of zij geen standpunt heeft ontvangen binnen de vereiste termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, of

c. de termijn, bedoeld in het tweede lid, gelet op alle omstandigheden onredelijk lang is, of d. hij of zij van mening is dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.1, vijfde lid.

Hoofdstuk 3. De Commissie integriteit Technische Universiteit Eindhoven

Artikel 3.1. Instelling en taakstelling van de Commissie

1. Er is een Commissie integriteit Technische Universiteit Eindhoven, hierna te noemen "Commissie" .

2. De Commissie heeft tot taak een door de melder ter kennis gestelde  vermoedde onregelmatigheid  te onderzoeken en daaromtrent het College van Bestuur te adviseren.

Artikel 3.2. Samenstelling van de Commissie

1. De Commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en twee andere leden. De Commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan

2. Het College van Bestuur kan een of meer plaatsvervangende leden benoemen.

3. Bij ontstentenis van de voorzitter, onderscheidenlijk van een ander lid dan wel ingeval de voorzitter of een ander lid direct of indirect betrokken is bij een te beoordelen melding, neemt de plaatsvervangend voorzitter, onderscheidenlijk een plaatsvervangend lid zijn plaats in.

4. De voorzitter, overige leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie worden benoemd door het College van Bestuur voor een termijn van vier jaar. Herbenoeming voor een aansluitende periode van telkens vier jaar is mogelijk.

5. Niet voor benoeming in aanmerking komen de leden van het College van Bestuur, de leden van de Raad van Toezicht, de leden van faculteitsbesturen, directeuren van onderzoekinstituten, opleidingsdirecteuren dan wel hoofden van diensten van de universiteit. 6. Tussentijdse ontheffing vindt plaats op eigen verzoek en kan plaatsvinden wegens disfunctioneren als (plaatsvervangend) lid van de Commissie.

Artikel 3.3. Secretaris

De Commissie wordt bijgestaan door een door het College van Bestuur aangewezen secretaris.

Artikel 3.4. Ontvangstbevestiging en het onderzoek

1. De Commissie bevestigt de ontvangst van een melding van een vermoeden van een onregelmatigheid aan de melder die het vermoeden bij haar heeft gemeld en stelt het College van Bestuur op de hoogte van de melding.

2. Indien de Commissie dit voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk acht, stelt zij een onderzoek in. De Commissie kan het onderzoek opdragen aan één van de leden, dat alsdan namens haar optreedt.

Artikel 3.5. Bevoegdheden van de Commissie

1. De Commissie is bevoegd informatie in te winnen bij alle medewerkers, studenten en organen van de universiteit. Zij kan inzage verlangen van alle documentatie en correspondentie die zij voor de beoordeling van de melding van belang acht.

2. De Commissie kan deskundigen, al dan niet verbonden aan de universiteit, raadplegen. Van de raadpleging wordt een verslag opgemaakt. 3. De Commissie legt van elke behandelde melding een dossier aan. Daaruit wordt geen onder geheimhouding gegeven informatie ter inzage geboden dan met toestemming van de betrokkenen.

4. Het dossier blijft in handen van de commissie en mag niet vermenigvuldigd worden.

Artikel 3.6. Niet ontvankelijkheid

1. De Commissie verklaart de melding niet ontvankelijk, indien:

a. geen sprake is van een onregelmatigheid, waarover de Commissie adviseert;

b. de melder niet aantoont dat hij of zij het vermoeden eerst intern aan de orde heeft gesteld, zoals voorgeschreven in artikel 2.1, eerste lid, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.1, vijfde lid, of

c. de melder het vermoeden intern aan de orde heeft gesteld, zoals voorgeschreven in artikel 2.1, eerste lid, maar nog niet een redelijke termijn is verstreken na de interne melding.

2. Een redelijke termijn, als bedoeld in het eerste lid, onder c, is verstreken indien:

a. vanaf het moment van ontvangst door de leidinggevende en een periode van acht weken geen standpunt inzake de  vermoede onregelmatigheid door de leidinggevende aan de melder is uitgereikt, tenzij door de leidinggevende aan de melder wordt medegedeeld dat hij of zij niet binnen een periode van acht weken een standpunt kan verwachten;

b. door de leidinggevende geen termijn is gesteld als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid;

c. de door de leidinggevende gestelde termijn, bedoeld in artikel 2.2., tweede lid, is verstreken zonder dat een standpunt van de leidinggevende aan de melder is medegedeeld, of

d. de door de leidinggevende gestelde termijn, bedoeld in artikel 2.2., tweede lid, gelet op alle omstandigheden niet redelijk is.

3. De Commissie brengt gemotiveerd het College van Bestuur en de melder die een vermoeden van onregelmatigheid bij de Commissie heeft gemeld, op de hoogte of de melding niet ontvankelijk is.

Artikel 3.7. Advies van de Commissie

1. Indien het gemeld vermoeden van  onregelmatigheid ontvankelijk is, legt de Commissie zo spoedig mogelijk haar bevindingen omtrent de melding van een vermoeden van een onregelmatigheid neer in een advies, gericht aan het College van Bestuur.

2. De melder die een vermoeden van  onregelmatigheid bij de Commissie heeft gemeld, ontvangt een afschrift van het advies, met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van aan de Commissie verstrekte informatie en de terzake geldende regelingen.

3. Het advies wordt in geanonimiseerde vorm en met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van aan de Commissie verstrekte informatie en de terzake geldende regelingen openbaar gemaakt op een wijze die de Commissie geëigend acht, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.

4. Naar aanleiding van het advies brengt het College van Bestuur de melder die een vermoeden van een onregelmatigheid heeft gemeld bij de Commissie, op de hoogte of het advies al dan niet wordt opgevolgd.

5. Het advies van de Commissie en het ter zake genomen besluit door het College van Bestuur staan niet open voor beroep.

Artikel 3.8. Jaarverslag

1. Jaarlijks wordt door de Commissie een jaarverslag opgesteld.

2. In dat verslag worden in geanonimiseerde zin en met inachtneming van de terzake geldende regelingen vermeld:

a. het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van een onregelmatigheid;

b. het aantal meldingen dat niet tot een onderzoek heeft geleid;

c. het aantal ondernomen onderzoeken die de Commissie heeft verricht, en d. het aantal adviezen en de aard van de adviezen die zij heeft uitgebracht.

3. Dit jaarverslag wordt gezonden aan het College van Bestuur. Het College van Bestuur zend het jaarverslag aan de Raad van Toezicht,de Universiteitsraad en het lokaal overleg. Het College van Bestuur maakt van het jaarverslag melding in het verslag, bedoeld in artikel 2.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Hoofdstuk 4. Rechtsbescherming

Artikel 4.1

Ten aanzien van de medewerker of student die een vermoeden van onregelmatigheid heeft gemeld, zoals bedoeld in artikel 1, geldt dat vanaf de melding de grootst mogelijke vertrouwelijkheid in acht wordt genomen. Tevens geldt dat de melder op geen enkele wijze in zijn of haar positie binnen de universiteit benadeeld wordt als gevolg van het melden.

Hoofdstuk 5. Titel

Artikel 5.

Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling melding onregelmatigheden Technische Universiteit Eindhoven".

Vastgesteld door het College van Bestuur op 14 september 2006.